Cees Nooteboom – ’s Nachts komen de vossen (2)

Cees Nooteboom - 's Nachts komen de vossenNa afloop van de wandeling op de grens van Nederland en België (met culinaire afsluiting in – hoe kan het anders – België; zie mijn blog over die wandeling) was ik benieuwd naar de andere verhalen in deze nieuwste bundel van Cees Nooteboom. Soms waren die verhalen teleurstellend (dat lijkt kenmerkend voor een verhalenbundel, zoals nu ook weer in de bundel ‘Kwetsuur‘ van Anna Enquist), maar er zaten een paar goede verhalen bij.

Neem nou het verhaal over de vice-consul. Je voelt het bederf langzaam maar zeker het verhaal binnentrekken. De dood kiert door de naden van elke bladzijde heen. Maar zinnetjes als ‘De wijn… is troep die na verloop van tijd de stoel onder je hersens uit trekt’ (pagina 55) zijn toch de juweeltjes waarvoor ik een boek lees. Na zo’n zin kijk ik altijd even met een glimlach over mijn boek heen de verte in. Hoe kom je erop? Nog zo een op pagina 58: “Ooit had Heinz me een foto laten zien van dertig jaar geleden, Italië nog in de afgedragen kleren van het fascisme, armoede, aarzelende wederopbouw, geen Wirtschaftswunder in een Duitsland dat nog moest puinruimen…”. Wat weet ik nou helemaal van Italië? Ik ben er welgeteld drie keer geweest, maar in de geschiedenis van dat land blijk ik dan ineens toch nog minder dan een relatieve buitenstaander te zijn; “de afgedragen kleren van het fascisme”. Hoe verzin je het?

Vooruit; dan toch even de diepte in (herkenbaar op pagina 61): “Hij en ik, want over mezelf zal ik ook iets moeten zeggen, en daar hou ik niet zo van, nog steeds niet. Na verloop van tijd kom je achter het een en ander omtrent jezelf, dat je ook het liefst voor jezelf zou willen houden. Het lukt niet, maar het is de droom: met je kleine onbetekenende geheim verdwijnen en de deur achter je dichttrekken.Opdracht vervuld, wat die dan ook was. Leven, als iemand me kan zeggen wat de bedoeling is?”. Dat lijkt strijdig met de vele blogs die ik de afgelopen weken weer geschreven heb. Voor wie doe ik dat eigenlijk? Hoofdzakelijk voor mezelf, maar toch ook – blijkt als ik merk dat anderen meelezen – voor anderen? Waarom eigenlijk? Weet jij het? Ik lijk me in die blogs soms kwetsbaar op te stellen, maar – zoals Hans me tijdens een training confronterend voor de hele groep meedeelde: jij lijkt je alleen maar kwetsbaar op te stellen; in werkelijkheid is dat jouw veilige ruimte, waarbinnen jij durft te bewegen; zo kwetsbaar en open is het allemaal helemaal niet. Ik heb net zo goed als jij de deur achter me dichtgetrokken en me opgesloten in de grote ruimte waar ik me veilig voel. En als het er echt op aankomt heb ik net zo goed als jij dingen over mezelf ontdekt die ik alleen durf te delen met echte intimi; en zelfs dat vind ik soms nog moeilijk.

Toch springen Paula en Paula II er met kop en schouders bovenuit in de bundel. In boekenweekgeschenken van Harry Mulisch en Tim Krabbé was ik dat trucje al eens eerder tegengekomen. In m’n blog over Krabbé gaf ik al aan dat Mulisch dat sterker deed – vind ik – dan Krabbé. De beide verhalen van Nooteboom hebben weer het niveau van Mulisch. Wat gebeurt er? Paula is dood (“Fantoompijn gaat ver als je hele lichaam verdwenen is, maar zoiets moet het zijn”) en goede vriend denkt aan haar terug aan de hand van mooie foto. En plotseling is Paula er (in Paula II); opgeroepen. Het is maar vanuit wiens perspectief je het bekijkt. Don Anselmo was ervan overtuigd dat zij geen interesse had voor sex (“na afloop zei [ze]: nou, jij en ik zijn dus niet voor elkaar gemaakt”; pagina 123). Maar ondertussen had Don Anselmo “nooit echt geweten wat [zij] over [hem] dacht”. En; wat dacht Paula? “Wat er tussen ons was heb jij nooit begrepen. Jij hebt de leugen onthouden die ik jou heb toegediend. Vrouwen kunnen goed liegen, en mannen kunnen goed geloven. Als ik met jou was doorgegaan had ik me moeten uitleveren aan jouw essentiële afwezigheid. Hauw. Maar dat betekende altijd au… iets tussen ons zou een totale catastrofe geworden zijn, die ik overleefd had, maar jij niet… Die ene keer dat we samen geslapen hebben moest ik jou in de waan laten dat het voor mij een vluchtig ogenblik was… Dat zijn de strategieën waarmee je met het onmogelijke omgaat. De gloed naar binnen was zo barbaars, daar was dat sterven later niets bij. Jij hebt daar niets van gemerkt, daar zijn mannen heel goed in.”. Over zelfbescherming gesproken… Bij vrouwen is dat blijkbaar niet anders dan bij mannen. Allemaal doen we ons anders voor dan we zijn. Om veilig te blijven? Maar waarom voelen we onszelf toch altijd zo onveilig? Waarom dat wantrouwen? Omdat we bang zijn dat anderen ons niet zullen begrijpen? Of omdat we bang zijn dat ze ons juist wel zullen begrijpen en daar misbruik van zullen maken? Ik heb er nog niet zo heel veel ervaring mee, maar in een gemengde omgeving (waar mannen en vrouwen samenleven; op het werk bijvoorbeeld) ervaar ik dat sterker dan in de mannenwereld bij m’n vorige werkgever. We snappen elkaar niet; we voelen elkaar niet aan; wij mannen en vrouwen. Zal het zoiets zijn?

Tenslotte nog iets heel anders. Paula zegt/denkt: “Jij bent de enige die mij echt geroepen heeft. De anderen hebben aan mij gedacht, soms, maar niemand heeft mij kunnen vinden, hun verdriet, als het dat was, had te weinig energie, de afstand is te groot”. Bij wie ben ik dichtbij genoeg gekomen? Wie zullen mij herinneren, als ik er niet meer ben? Wie zullen er echt verdriet hebben, als ik er niet meer ben? Wie zal me terug willen roepen? Ik weet het er maar van één. Ach, zij zal ook haar leven weer bij elkaar rapen. Het zal wat langer duren dan bij de rest. En er zal altijd die herinnering blijven die steeds mooier wordt (prachtig beschreven in Zondagavond’ van Vonne van der Meer). Maar ook zij zal verder gaan; niet alsof er niets gebeurt is, maar toch; hoop ik.

Zoals ik het ook altijd heb gedaan. Af en toe komen de herinneringen nog terug aan Bert (ja, zelfs na 18 jaar aan hem, vandaag nog), Philip, Ferenz en Nikkie; aan goede vrienden. Maar hoe zal dat gaan, als je vader en moeder overlijden? Of je eigen kind? En wat gebeurt er met mij als mijn vrouw zou overlijden? Ik vermoed dat het een gat in m’n leven zou slaan? Maar wat er werkelijk zou gebeuren? Ik heb geen idee. Heb je dan verdriet in het kwadraat? Ik heb het niet zo op het terugroepen van doden, maar ik heb het vermoeden dat ik toch meer dan een herinnering aan ze over zou willen houden. Deur dicht. Niemand hoeft te weten wat ik tegen die tijd over mezelf ontdek. Of misschien toch in een blog? Wie zal het zeggen?

Dit bericht werd op 29 april 2009 geschreven door Karel J. van der Lelij
Onderwerpen: , , , , , , ,
Categorieën: Boeken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

veertien − 7 =

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

COMMENTS

    […] ik die ook al teruggevonden bij Nooteboom in de vehalen Paula en Paula II uit zijn verhalenbundel ‘s Nachts komen de vossen. Je zou haast zeggen dat het hier gaat – om met Mulisch te spreken – om “gebalde […]

    Beantwoorden
    12 september 2011 at 18:31

https://lelij.com leeft op WordPress , het thema Adventure van Eric Schwarz en Mailchimp

https://lelij.com – Een blog van Karel J. van der Lelij

Altijd kritisch en betrokken