Dooremalen, De Regt & Schouten - Exploring Humans - EvolutieHet kostte soms wat moeite om me door de 500 bladzijden Engels heen te worstelen, maar door de energie die ik ervoor terugkreeg in ‘Exploring Humans, Philosophy of Science for the Social Sciences, A Historical Introduction‘ van Hans Dooremalen, Herman de Regt en Maurice Schouten was het meer dan de moeite waard. En het hielp me onder andere om het boek van Walton waarover ik eerder blogde over theologie en evolutie beter te begrijpen.

Waarom lees je zoiets? Ik kreeg het boek van m’n schoonzus die er een scriptie over moet schrijven. Of ik haar misschien een eindje op weg wou helpen? Maar al lezend kwam er weer veel boven uit m’n studententijd; over de overmoed waarmee wetenschappers hun conclusies soms doortrekken naar gebieden waar ze te weinig kaas van gegeten hebben om er werkelijk iets over te kunnen zeggen (hoe goed ze op hun eigen wetenschapsgebied misschien ook mogen zijn; wat ik weer niet goed kan beoordelen, omdat ik niet goed genoeg ben ingevoerd in hun specialisme). En langzaam kwamen ook weer de herinneringen boven aan het taaie werk dat ik voor mijn afstudeerscriptie verrichtte; om de vraag te beantwoorden of computers kunnen denken.

De regel als uitzondering

Niet voor niets gaf ik mijn scriptie destijds de titel ‘De uitzondering als regel‘ mee. Ik geloofde na al mijn speurwerk niet meer in een set met regels die alle vragen konden beantwoorden. Sterker nog, dacht ik toen: als je antwoord wilt geven op dergelijke vragen, dan doe je er beter aan om op basis van de uitzonderingen die je tot vandaag tot je beschikking hebt voorlopige antwoorden te formuleren die bij elke uitzondering (lees in mijn ogen van toen: elk nieuw feit) wellicht opnieuw moeten worden herzien. Mijn antwoord op de vraag van destijds (of computers kunnen denken) was destijds dan ook: het hangt er maar van af wat je denken noemt; of computers dat wel of niet kunnnen: denken.

Ondertussen zijn we 25 jaar verder en las ik dus ‘Exploring Humans‘ en bleek het de eerste 400 bladzijden een feest van herkenning te zijn. Tot zover niets nieuws in 25 jaar. Dat was goed nieuws voor mij, want op die manier hoefde ik me niet bij alles tot het uiterste in te spannen om het betoog te kunnen volgen. Maar op een gegeven moment verlangde ik natuurlijk wel naar wat nieuws; mens als ik ben met angstig verlangen naar nieuwe dingen en inzichten. En dat was er gelukkig ook.

The Lost World of Adam and Eve’ van John H. Walton; over theologie en evolutie

En ik besloot om mijn blog over het boek van John H. Walton (‘The Lost World of Adam and Eve‘) nog eens kritisch door te nemen:

  • Walton leest Genesis (het verhaal over de schepping) anders dan ik gewend was vanuit mijn opvoeding en hij legt uit waarom hij niet meer uit de voeten kan met een letterlijke interpretatie van Genesis; afgezien van de context van toen en bekeken door de bril van onze cultuur. Zijn verhaal klinkt als het verhaal dat Dooremalen et al. vertellen over de taalspelen van Wittgenstein. Ieder taalspel heeft zijn eigen regels en alleen als je de regels van een taalspel kent, kun je die taal leren spreken en begrijpen. Als je de Bijbel wilt begrijpen, doe je dat niet door de taal van destijds te vertalen naar de taal van vandaag, maar door je vast te bijten in de regels van het taalspel dat destijds werd gesproken. Zo’n inzicht helpt me om de Bijbel anders te gaan lezen en te begrijpen waar Walton heen wil.
  • Om zijn kennis van het taalspel van destijds te verbreden, leest Walton niet alleen de Bijbel, maar ook de teksten uit omringende culturen. Dat biedt nieuwe perspectieven die de teksten van Genesis in een heel ander daglicht plaatsen. Walton valt daarbij niet in de valkuil van de theologen uit de jaren ’60 die de Bijbel gingen lezen vanuit die andere taalspelen. Walton leest de Bijbel als een tekst die gelijkwaardig is aan andere gevonden teksten uit die zelfde periode en probeert op basis van overeenkomsten en afwijkingen tot een evenwichtige, maar toch nieuwe interpretatie van Genesis 1 t/m 3 te komen. Hij zoekt en trekt voorlopige conclusies. Zelf vind ik dat hij dat te weinig doet vanuit het besef dat hij slechts de beschikking heeft over een beperkte hoeveelheid teksten (er zijn maar weinig teksten gevonden en we weten niet of die teksten representatief zijn voor wat destijds allemaal nog meer is geschreven). Morgen kan een tekst worden gevonden waaruit blijkt dat de interpretatie van Walton op losse schroeven staat.
  • In ‘Exploring Humans’ wordt het (neo-)pragmatisme van Peirce, James, Dewey en Rorty behandeld. Volgens Dooremalen et al. zet dat de traditionele wetenschapsfilosofie op losse schroeven. Daarin gaat het over de vraag of wetenschap een correcte weergave geeft van de werkelijkheid en zelfs de waarheidsvraag komt aan de orde. Over de volle breedte van de ‘oude’ wetenschapsfilosofie worden op basis daarvan harde conclusies over de wetenschap getrokken: wetenschap is geen waarheid en er kan om meerdere redenen niet (lees: nooit) worden bewezen dat wetenschap de werkelijkheid correct weergeeft. Het pragmatisme doet met de wetenschapsfilosofie wat de wetenschapsfilosofie altijd met de wetenschap heeft gedaan: het zet de uitgangspunten van de wetenschapsfilosofie op losse schroeven. Het zou bij de beoordeling van wetenschap niet moeten gaan om waarheid of correcte referentie, maar om bruikbaarheid. Wetenschap heeft waarde zolang het werkt. Als ik op die manier – er vanuit gaande dat theologie ook een (sociale) wetenschap is – het verhaal van Walton een half jaar na lezing opnieuw probeer te beoordelen, dan concludeer ik dat zijn verhaal voor mij werkt. Walton interpreteert het verhaal van Genesis als het aanbrengen van orde in de wereld en het verhaal in de hele Bijbel als de voortgaande arbeid van God om die orde te voltooien; ondanks de tegenwerking van de mens. Vandaag verbind ik die orde met rechtvaardigheid en meer dan voorheen kom ik in de Bijbel – ook in de context van heel bekende teksten – rechtvaardigheid tegen die de Bijbel nu voor mij op een andere manier kleurt dan voorheen. De wanorde van Genesis en hoe God daar orde in aanbrengt helpt me om God meer zeggenschap te geven in mijn leven.
  • Ondertussen vind ik de conclusie van Walton – dat wetenschappelijke evolutie niet strijdig is met het verhaal van genesis – nog steeds overbodig en versterkt lezing van ‘Exploring Humans‘ dat gevoel. Ten eerste is ook hier sprake van twee taalspelen; die van theologie en die van natuurwetenschap (ook als daarin evolutionaire beginselen worden gebruikt). Na ‘Exploring Humans‘ vind ik het bovendien juist zo’n verademing dat we het niet meer over waarheid of over correcte referentie hoeven te hebben. En dan komt daar toch weer via een achterdeur de waarheidsvraag aan de orde: of toepassing van evolutionaire beginselen in de wetenschap terecht is of niet. Ik kan die vraag niet beantwoorden, omdat ik daarmee het ene taalspel (wetenschap) vanuit het andere taalspel (theologie) zou moeten beoordelen (alsof ik in staat zou zijn om beide taalspelen tegelijkertijd te spreken en te interpreteren). Ik wil die vraag niet beantwoorden omdat ik na het pragmatisme niet meer zo nodig hoef vast te stellen of wetenschap waar is of – iets minder hoogdravend afgestemd – een correcte weergave van de werkelijkheid geeft of niet. Voor de beoordeling van de toepassing van evolutionaire beginselen in de wetenschap heb ik dankzij het pragmatisme andere hulpmiddelen tot mijn beschikking: of het werkt of niet. En als het werkt mag het in tegenspraak lijken met de verhalen die in de Bijbel staan. In Bijbel en theologie gaat het om andere taalspelen dan in de wetenschap. Ik kan wetenschap niet legitimeren vanuit Bijbel of theologie. Sterker nog: ik hoef het niet. En dat vind ik zo’n heerlijke bevrijding!
  • Ondertussen kunnen theologie en wetenschap – ook als het over vragen rondom schepping en evolutie gaat – wel van elkaar leren; las ik in ‘Exploring Humans‘. Theologie en wetenschap hoeven zich niet competitief ten opzichte van elkaar te verhouden. Wetenschappelijke studie van de Bijbel en omringende culturen kan inzichten bieden die evolutionair gedreven wetenschap kan versterken en/of kan nuanceren. En andersom kunnen wetenschappelijke inzichten onze interpretatie van de Bijbel nuanceren, zodat we er nog beter mee uit de voeten kunnen dan zonder wetenschap. Het kan verhelderend werken om je (tijdelijk) te bewegen in het ene taalspel om vervolgens in het andere taalspel nieuwe inzichten te kunnen bieden. Bij Walton gaat het uiteindelijk om de waarheidsvraag. Als hij die vraag los zou laten zouden evolutionaire inzichten hem wellicht kunnen helpen om zijn theologie verder aan te scherpen. Dat lijkt me voor Walton een gemiste kans.

Kennis veroudert snel

De inzichten van Dooremalen et al. confronteren me overigens wel met mijn beperkte vermogens. In 1992/93 verdiepte ik me in het wereldje van Kunstmatige Intelligentie. De smaakmakers van destijds leven niet meer of je hoort weinig meer van hen. De nieuwe smaakmakers heb ik nooit gelezen en over nieuwe inzichten in (kunstmatig) denken heb ik weinig of geen kennis. De vraag of computers kunnen denken kan ik daardoor niet meer beantwoorden. Ik weet domweg niet meer wat werkt en wat niet. Ik geloof niet dat ik mijn brein ben (zoals bijv. Dick Swaab met grote woorden beweert). Na lezing van ‘Exploring Humans‘ herken ik een reductionistisch uitgangspunt in de ideeën van Swaab en volgens Dooremalen et al. werkt dat niet. Zijn wetenschappelijk onderzoek zal ongetwijfeld werken (in de pragmatische zin van het woord), maar ik weiger aan te nemen dat ik daarom alleen maar mijn brein zou zijn en ik hoef dat niet. Wat een opluchting!

Je kunt zoveel nieuwe mogelijkheden laten liggen…

Zou Swaab daarom zijn wetenschappelijk onderzoek niet meer mogen doen (zolang het werkt)? Zouden evolutionisten – om het onderwerp van dit blog voor een laatste keer opnieuw op te vatten – omdat hun wetenschappelijke uitgangspunten in tegenspraak met de Bijbel lijken te zijn hun wetenschappelijk onderzoek vanuit andere uitgangspunten moeten organiseren? Ik zie na ‘Exploring Humans‘ geen enkele goede reden om dat van wetenschappers te vragen; zolang zij net als theologen en leken open blijven staan voor nieuwe inzichten; die kunnen helpen om hun wetenschappelijk onderzoek te verbeteren; en als zij zich iets minder vrij- of overmoedig mengen in de publieke discussie en zich daarmee begeven op gebieden waar hun inzichten minder relevant of bij nader inzien zelfs irrelevant blijken te zijn. Het taalspel van een natuurwetenschapper is – overigens terecht – een andere dan die van een theoloog; en die weer dan die van een leek. Ieder die zich begeeft op het gebied van de ander doet er goed aan om zich te verdiepen in het taalspel van die ander en dat taalspel niet te beoordelen vanuit zijn eigen vertrouwde taalspel. Want als je de wereld alleen beoordeelt vanuit je eigen taalspel, ontloop je nieuwe inzichten en doe je jezelf als leek, als theoloog of als wetenschapper tekort, maar jaag je ook de ander tegen je in het harnas (Levinas gebruikt daarvoor grote woorden als geweld: als je de ander vanuit je eigen taalspel probeert te be-grijpen).

Voor mij is de uitzondering nog steeds de regel

Nog steeds blijft daarmee mijn overtuiging dat de uitzondering de regel is. Door je te verdiepen in andere taalspelen doe je nieuwe uitzonderingen op die je kunnen helpen om je eigen overtuigingen – waarin je volgens Nietzsche als in een gevangenis gevangen zit – te verrijken en nieuwe inzichten op te doen. Dat blijkt alleen al uit het laatste voorbeeld dat ik nu ervaar. Als ik ‘Exploring Humans‘ tijdens het schrijven van mijn afstudeerscriptie tot mijn beschikking gehad zou hebben (toen was ‘Exploring Humans‘ nog niet geschreven), zou mijn scriptie er anders hebben uitgezien. Tegelijkertijd constateer ik dat daarin nog steeds geen sprake is van een schokkende revolutie (zoals Thomas S. Kuhn dat zou noemen; hoewel ook zijn theorie volgens Dooremalen et al. op basis van het pragmatisme overbodig wordt), want de uiteindelijke conclusie van Dooremalen et al. lijkt heel erg op de consequenties van de aspectenleer van Dooyeweerd (zoals nog steeds wordt uitgedragen door de beweging van de Reformatorische Wijsbegeerte) die ik tijdens het schrijven van mijn scriptie wel tot mijn beschikking had. Kortom: dingen veranderen minder snel dan je zou verwachten (of soms zou hopen).

Ondertussen helpt ‘Exploring Humans‘ me wel om vanuit verschillende invalshoeken naar geloof, wetenschap en leven te kijken en dat ervaar ik als meer dan winst.

Je ne suis pas CharlieAfgelopen nacht droomde ik een vreemde droom; over mezelf als moordenaar. Ik weet niet meer wie ik had vermoord; wel dat het ergens in een hotel gebeurde; in een lange gang. Ik hield het een paar weken verborgen; ook voor thuis. Maar toen kreeg ik er spijt van.
Hoe de droom zich verder ontwikkelde, herinner ik me niet precies. Zo gaat dat met dromen. Daarom vind ik het des te meer opmerkelijk dat ik me wel mijn overwegingen herinner die volgden op mijn spijt. Ach, dacht ik in eerste instantie; een paar jaar cel; geen verplichtingen meer; lekker lezen; gewoon mezelf en alleen. Maar direct daarna volgde inzicht in de concrete consequenties. Hoe zou dat met Jo-Anne en mij verder moeten? En – niet onbelangrijk – ik zou de mooie jaren van de puberteit van mijn kinderen moeten missen. En hoe meer die concrete inzichten zich opstapelden, hoe meer ik in paniek raakte. Wat ik me verder herinner van afgelopen nacht? Dat ik in stukjes verder droomde. De moord verdween naar de achtergrond en het missen kwam ervoor in de plaats. En van de stukjes herinner ik me vooral de verwarring; de paniek; het gevoel van onomkeerbaarheid.

Overdag zou ik voorafgaand aan de moord nadenken; zou ik, voordat ik zou moorden, me afvragen wat de consequenties zouden zijn van mijn handelen. Wat ik afgelopen nacht voelde, zou ik wroeging, misschien zelfs wel slachtofferschap noemen. Uiteraard zou je Freud op deze droom los kunnen laten. Dat laat ik graag aan anderen over, want waar ik het op deze plek over wil hebben, is de knoop tussen vrijheid van meningsuiting (die me dierbaar is) en de verantwoordelijkheid die we allen hebben voor wat we doen. Voor mij was dat de eerste knoop die ik afgelopen week wilde ontwarren, toen er 20 mensen werden dood geschoten.

Laat ik vooraf helder en duidelijk afstand nemen van de conclusie die een onwelwillende lezer zou kunnen trekken uit onderstaande. Ik wil met dit verhaal niet betogen dat de journalisten van Charlie Hebdo de dood aan zichzelf te danken hebben. De verantwoordelijkheid voor de dood van Cayat e.a. is voor de volle 100% voor rekening van Chérif en Saïd Kouachi. Moge hun namen wegzakken in vergetelheid.

Dat neemt niet weg dat ik het toch wil hebben over de verantwoordelijkheid die zij wel degelijk hadden; net als ik; niet voor de moord, waarvoor anderen verantwoordelijk waren, maar voor de dingen die zij schreven en tekenden. In een reactie in NRC stelt Cyprian Koscielniak – zelf cartoonist – dat de kwaliteit van Charlie Hebdo bagger is. Ik weet het niet. Ik heb het blaadje nooit onder ogen gehad. Maar zelfs als het blaadje een hoogstaand initiatief zou zijn, zou ik het met Koscielniak eens zijn dat we vandaag niet meer in een cultuur leven waarin alle lagen van een geschreven tekst of cartoon doordringen tot het bewustzijn van iedereen die het leest; domweg omdat de subtiliteiten daarvan niet als cultureel erfgoed in hun sociale genen zijn gecodeerd. Zelfs om een slechte grap kun je meestal nog wel lachen, maar als de subtiliteiten van satire wegvallen, blijft de belediging en de vernedering als gevolg daarvan over – tot zover Koscielniak.

Dat lijkt op wat Multatuli gezegd schijnt te hebben – las ik gisteren NB in het Reformatorisch Dagblad. Ik heb vandaag nog weer eens door de Ideeën van Multatuli heen gebladerd, maar ik heb het citaat helaas niet terug kunnen vinden. Goede satire – parafraseer ik Multatuli dan maar uit het RD – kun je alleen schrijven als je zelf door verdriet heen bent gegaan. Afgezien van de vraag of Multatuli dit werkelijk heeft gezegd, raakt deze parafrase wel aan een belangrijk thema dat de afgelopen week vooral over het hoofd werd gezien; waaraan Koscielniak raakt. Dat is het thema van de vrijblijvendheid.
Als Project Manager heb ik de afgelopen jaren geleerd dat vrijblijvendheid dodelijk kan zijn voor een project. Prince2® – een bekende methode voor Project Management – adviseert dan ook om een stuurgroep samen te stellen, waarin alleen beslissers zitting nemen die de consequenties ondervinden van hun eigen besluiten. Vrijblijvendheid is taboe in projecten. En mijn overtuiging is dat vrijblijvendheid op die manier dodelijk kan zijn voor vrijheid van meningsuiting. In de reactie van Koscielniak klinkt spijt door en dat voelt goed. Ik hoop dat niet alleen Koscielniak op die manier nadenkt over wat hij deed en doet. Want mij lijkt het nogal hypocriet dat jij buiten schot kunt blijven (dit laatste niet letterlijk te lezen), als je wilt dat jouw mening door anderen wel moet worden overgenomen. Zij moeten er wel iets mee en jij kunt vrijblijvend blijven roepen wat je wilt? Vrijheid van meningsuiting is niet vrijblijvend, Charlie Hebdo, BNN, geenstijl.nl of Geert Wilders. Jullie zijn net zo goed verantwoordelijk voor wat je zegt en doet als ik; net als overigens die fanatieke broers in Parijs verantwoordelijk waren voor wat ze deden.

Als ik ‘de krant’ moet geloven, heb ik het recht om te beledigen. Ik ben het daar niet mee eens, maar zelfs als dat zo zou zijn, ben ik hoe dan ook niet alleen verantwoordelijk voor wat ik zeg en doe, maar ook voor de consequenties die dat heeft. Nogmaals: dat betekent niet dat Charlie Hebdo verantwoordelijk was voor de moord; alsof tekenen in hun geval zelfmoord zou zijn. Het betekent wel dat de tekenaars van Charlie Hebdo verantwoordelijk waren en zijn voor het effect dat hun woorden had en heeft op mensen; die zich beledigd en vernederd kunnen voelen; omdat ze de nuance niet begrijpen; als die er bij Charlie Hebdo al was. Pas daarna werd het de verantwoordelijkheid van de broers – wiens naam ik vergeten wil laten zijn – want hun moord was niet de consequentie van wat Charlie Hebdo tekende.

Dat inzicht – dat je niet alleen verantwoordelijk bent voor wat je doet, zegt en tekent, maar ook voor de consequentie die dat heeft – voorkomt slachtofferschap. Want als er iets tentoon werd gespreid de afgelopen dagen, dan was het dat wel. Woensdag spreekt ‘onze’ Minister van Buitenlandse Zaken Koenders NB vanuit Turkije per omgaande zijn afschuw uit over het gebeurde. Ik citeer: “We mogen niet laten gebeuren dat deze pijler onder onze democratie wordt weggeslagen”. Een paar dagen later spreekt diezelfde minister na aandringen van de SGP zijn ernstige zorgen uit over Boko Haram en de situatie in Nigeria. Hij zegt ‘geschokt’ te zijn door de bloedbaden, maar – ik citeer hem opnieuw – “… tegelijkertijd is het de verantwoordelijkheid van de Nigeriaanse overheid om de burgers te beschermen“. Iedereen gaat de straat op en zegt ‘Charlie te zijn’. Bij deze zeg ik ‘Charlie niet te zijn’. Ik ben geschokt door wat is gebeurd in Parijs; zoals ik geschokt ben door wat er in Nigeria gebeurt. Maar de vrijblijvendheid, waarmee Charlie Hebdo – zoals geenstijl.nl en BNN dat doen in Nederland – denken te mogen beledigen? Je ne suis pas Charlie! Zoals ik me niet wil vereenzelvigen met BNN of geenstijl.nl, zo wil ik dat ook niet met Charlie Hebdo. Ja, de tekenaars bij Charlie Hebdo waren slachtoffer van waanzinnige fanatisten, maar – zoals Koscielniak het zegt: “Vrijheid is ook een groot verantwoordelijkheidsbesef. Dat was op de Parijse redactie ver te zoeken“.

Het is mijn overtuiging dat, als ze op de redactie van Charlie Hebdo Levinas hadden gelezen en ter harte hadden genomen, dit niet was gebeurd. Dan had de ander voorop gestaan en had men zich ter redactie ten minste afgevraagd welke vernederend effect hun tekeningen hadden kunnen hebben op minderheden die hun taal en cultuur nauwelijks machtig zijn. Hadden ze zich met Multatuli maar losgemaakt van hun vrijblijvendheid. Dan hadden fanatiekelingen niet de stok gehad om de hond mee te slaan. Nog een keer: ze waren niet verantwoordelijk voor het slaan en moorden, maar wel voor de stok die er lag. Die stok had er niet gelegen, als ze met Filippenzen 2 : 3 niet “uit geldingsdrang of eigenwaan hadden gehandeld, maar in alle bescheidenheid de ander belangrijker hadden geacht dan zichzelf”. Het gaat niet om wat ik te zeggen heb of om wat ik perse kwijt wil. Het gaat “niet alleen om de belangen die ik voor ogen heb, maar ook om die van de ander” (Filippenzen 2 : 4). Als ik een ander gericht beledig – ook als ik hem daardoor wakker wil schudden – schaad ik zijn belang en dat mag de bedoeling niet zijn!

Vrijheid kan niet zonder verantwoordelijkheid. En waar die verantwoordelijkheid niet wordt genomen, ligt ellende – in welke vorm dan ook – op de loer. Daarom ben ik Charlie niet en neem ik uitdrukkelijk afstand van wat Charlie Hebdo heeft gedaan en voort wil zetten; net zoals ik afstand wil nemen van wat fanatieke terroristen hebben gedaan; omdat ze anderen veel pijn en verdriet hebben gedaan. In mijn droom drong de consequentie van wat ik had gedaan te laat tot me door. Toen ik moordde deed ik dat emotieloos; herinner ik me nu. De emoties en paniek kwamen later pas, toen ik de consequenties overzag; toen ik mezelf als slachtoffer begon te zien. Ik zou het Wilders c.s. toe willen schreeuwen: denk na voordat je spreekt! Spijt achteraf is niet nodig, als je van tevoren na zou denken over de beledigingen die je uit. Geert c.s., ik zou jullie niet verantwoordelijk houden voor de moorden die anderen begaan; niet als ze in jullie naam worden uitgevoerd; ook niet als ze zijn bedoeld als reactie op wat jullie hebben gezegd.

Maar ik hou jullie wel verantwoordelijk voor de pijn, het verdriet en de vernedering die jullie anderen aandoen; zoals ik mezelf daar ook verantwoordelijk voor zou houden als ik dat zou doen.

Dit bericht werd op 11 januari 2015 geschreven door Karel J. van der Lelij
Onderwerpen: , , , , ,
Categorieën: Column, Persoonlijk, Politiek, Werk
Karl-Josef Kuschel - Strijd om Abraham

Karl-Josef Kuschel – Strijd om Abraham

Voor m’n studie theologie rondde ik in september het vak ‘Abrahamitische religies’ af en ik las daarvoor het boek ‘Strijd om Abraham – Wat Joden, christenen en moslims scheidt en bindt‘ van Karl-Josef Kuschel. Ik had het precies over dat boek, toen ik halverwege september op Facebook m’n frustratie uitte als “vrijzinnig geleuter zonder vaste grond“:

Ondertussen heb ik die frustratie kunnen vertalen in een stuk dat ik moest schrijven als afsluiting van het vak (dat ik bewust had uitgesteld tot na het tentamen) (integraal na te lezen in deze pdf). Kort door de bocht durf ik – onder verwijzing naar de opdracht – te stellen:

  1. Kuschel heeft zijn ideaal ingelezen in de Bijbel. De onderbouwing van zijn argumenten is eenzijdig en onvoldoende. Derhalve is sprake van overhaaste generalisatie.
  2. Er moet veel van Kuschel. Joden en moslims moeten meedoen aan de dialoog die hij op wil zetten en christenen die zijn ideaal niet delen worden als achterlijk weggezet. Dat irriteert me mateloos; zeker omdat zijn verhaal slecht is onderbouwd.
  3. Een dialoog kent zenders en ontvangers. Kuschel stelt zich vooral op als zender en luistert slecht naar zijn gesprekspartners. Daardoor mist hij een hoop van wat zij in willen brengen. Dat maakt een zinvolle dialoog op voorhand moeizaam en meerdere theologen hebben erop gewezen dat hij niet alleen de Bijbel, maar ook islam en Jodendom vooral interpreteert in het licht van zijn ideaal.

De slecht onderbouwde inhoud van het boek ten spijt is dat ondertussen wel boeiend. Want vrede en gerechtigheid voor de wereld, te beginnen bij Jeruzalem, dat wil ik ook! En veel boeiender dan onze eventuele gezamenlijke oorsprong (daar zit ‘m in de bovenstaande 3 punten de belangrijkste pijn wat mij betreft) vind ik die zoektocht naar vrede en gerechtigheid die ons mogelijk zou kunnen binden.

Lees verder »

Dit bericht werd op 27 oktober 2013 geschreven door Karel J. van der Lelij
Onderwerpen: , , , , , ,
Categorieën: Artikel, Boeken, Column

Marcel Möring - Louteringsberg’t Was dat ik Bart een paar weken geleden tegenkwam die me vertelde dat Marcel Möring nu echt weer een prachtig boek had geschreven; anders was het boek, ben ik bang, ongelezen in de kast blijven staan. Want laat ik eerlijk zijn: na de porno van ‘Dis‘ had ik het met Möring wel een beetje gehad… Eerder deed ik in mijn blog over zijn ‘Het beloofde leven‘ naar aanleiding daarvan een oproep aan Möring om Levinas er voor zijn nieuwe roman nog eens op na te slaan. En het lijkt wel of hij die oproep gelezen heeft!

Met ‘In Babylon‘, het boek dat zich in retroperspectief op dezelfde berg/heuvel af blijkt te spelen als ‘Louteringsberg‘, zat het voor mij al een beetje op het randje, maar toen maakte de literatuur met een L veel goed van wat Möring in mijn ogen met sex kapot maakte. In dit nieuwste boek speelt sexualiteit wel een rol, maar vooral als vervulling en in evenwicht met andere problemen en uitdagingen die spelen in het leven van Marcus Kolpa (die eigenlijk Polak heet). Bergen Belsen komt langs. De worsteling met zijn identiteit staat centraal (en, ja, ook welke rol sexualiteit daar (niet) bij speelt), maar het draait om verhaal en bespiegeling en sex hoeft dat niet meer (aan de haren erbij gesleept) op te leuken.

Op vakkun(d/st)ige wijze vervlecht Möring de dood van zijn moeder, de zorg voor/angst om en relatie met zijn dochter, de verdwijning van zijn vrouw, de roerige jaren ’70 en de afzondering van de wereld in een groot huis op de louteringsberg tot een prachtig verhaal over een man op zoek naar zijn identiteit. Wat hij heeft gedaan, is hem overkomen en hij begrijpt het niet. Wat hij heeft, is hem in de schoot geworpen en hij staat er verbaasd naar te kijken. En wat de mensen daarvan vinden, interesseert hem niet meer. Wat overblijft is één grote vraag: wie ben ik en waartoe ben ik hier (op die louteringsberg)? Soms leiden die bespiegelingen af van het verhaal en lees je er snel doorheen (zonder dat tot je doordringt wat Möring precies schrijft), maar een andere keer helpen ze je om nog beter te begrijpen wie Marcus Kolpa nu eigenlijk is en wat hij van zichzelf vindt; telkens opnieuw op een kruising van levenswegen die hem inzicht (kunnen) geven in wie hij is en waar hij vandaan komt.

Lees verder »

Dit bericht werd op 7 mei 2012 geschreven door Karel J. van der Lelij
Onderwerpen: , ,
Categorieën: Boeken

Origineel geplaatst op http://theoblogienet.wordpress.com/?post=374

Wim Dekker - Marginaal en missionair

Hoewel ik mezelf na lezing van een boek maar weinig afvraag hoe ik zo’n boek nou zou karakteriseren, waaide die vraag na lezing van het boek ‘Marginaal en missionair, Kleine theologie voor een krimpende kerk‘ van Wim Dekker toch zomaar langs. En onvermijdelijk dacht ik toen terug aan een preek van Henri Nouwen die ik ooit bekeek (http://video.google.com/videoplay?docid=3701709082567809182): als je identiteit is gebaseerd op wat je doet, op wat je hebt of op wat (jij denkt dat) andere mensen daarvan vinden, dan is je identiteit als het huis dat is gebouwd op zand. De kernboodschap van Dekker in zijn mooie boek voor een krimpende kerk lijkt mij dat de kerk niet groeit en bloeit door wat wij doen, maar door onze verwachting dat God werkt; door afhankelijkheid van wat God bereid is te doen op Zijn geheel eigen wijze. Voor doeners zal dat een moeilijk verteerbare boodschap zijn, maar ik heb de problematiek van de kerk en een uitweg daaruit zelden dichter benaderd gezien. Op het eerste gezicht lijkt het allemaal erg traditioneel, maar door verder te graven in het boek stuitte ik op mooie inzichten en voelde ik dat ik goud in handen had.

Ja, zo zou ik het boek van Dekker graag willen karakteriseren: als een zoekend boek, waarin onze afhankelijkheid van een levende God verder wordt onderzocht. Dekker start zijn zoektocht bij het wonder dat het Evangelie kracht blijkt te hebben om te overtuigen; hoe onverklaarbaar dat soms ook mag zijn en hoe zwak we ons soms ook voelen staan als we Zijn verhaal vertellen. Karl Barth en zijn Römerbrief hebben daarbij voor Dekker een sleutelrol vervuld.

Lees verder »

Dit bericht werd op 1 september 2011 geschreven door Karel J. van der Lelij
Onderwerpen: , , , , , , ,
Categorieën: Boeken

Theo de Boer - De god van de filosofen en de god van PascalTheo de Boer schreef met ‘De God van de filosofen en de God van Pascal, Op het grensgebied van filosofie en theologie‘ een boek dat indruist tegen de moderne beweging van theologen als Kuitert e.a.. Daarmee veroorzaakte De Boer in 1992 een omkeer in mijn leven. Het bleek met Kuitert niet de vraag of God nog wel past bij mijn theorie (het zoekontwerp, zoals Kuitert dat o.a. noemt in zijn ‘Aan God doen‘), maar veeleer wat mij te doen stond als God inbrak in mijn leven (à la Karl Barth). Ik ontdekte toen dat het zoekontwerp er nogal toedoet, als je op zoek gaat; dat zo’n zoekontwerp bepaalt waar je uiteindelijk uitkomt. De zoekvraag van Kuitert weekte hem los van God (want de inbrekende God van Karl Barth blijkt niet te passen bij de theorieën, waarin de gaatjes langzamerhand worden gedicht; voor zijn theorieën heeft Kuitert God niet meer nodig). De zoekvraag van De Boer (waarin ik vandaag bij herlezing sterke trekken van Karl Barth en Emmanuel Levinas ontdek) leidde mij terug naar waar het vandaag in mijn leven om gaat: hoe leef ik rechtvaardig voor God?

Ik herlas het boek in 2006 en mijn ontdekking herleefde. En toen ik het boek samen met amici op het dispuut afgelopen zaterdag nog weer eens besprak, vielen nog meer stukjes op z’n plek. Christendom is altijd gekoppeld geweest aan ethiek en moraal. Ja, het klopt; de Bijbel geeft richtlijnen die de moderne mens vandaag als moralistisch ervaart; mijzelf af en toe niet uitgezonderd. Maar: om die moraal draait het niet in het christendom.

Lees verder »

https://lelij.com leeft op WordPress , het thema Adventure van Eric Schwarz en Mailchimp

https://lelij.com – Een blog van Karel J. van der Lelij

Altijd kritisch en betrokken