Alle verstand te boven

Alle verstand te boven
Het boek ‘Alle verstand te boven’ van Cees Dekker (red.) e.a.

Alle verstand te boven

Binnenkort mag ik de sjaars van het C.S.F.R.-dispuut Johannes Calvijn weer welkom heten in ons eigen huis. Jarenlang las ik met hen het boek De dingen hebben hun geheim van Van den Beukel. Dat leverde altijd mooie gesprekken (en herinneringen) op. Maar aan alle goede dingen komt een eind. Want het dispuut heeft (terecht) gekozen voor een nieuw boek: Alle verstand te boven van Cees Dekker (red.).

In retroperspectief

Ruim 35 jaar geleden was ik ook een eerstejaars. Ik was zojuist nogal naïef overgestapt van het warme nest van thuis naar de nieuwe universitaire omgeving en dito studentenvereniging. Tot dat moment dacht ik dat ik alles wel goed op een rijtje had staan. Ik was overtuigd van de zin en onzin van alles wat ik wel of niet geloofde.

Dat viel tegen! Ik bleek helemaal niets op een rijtje te hebben. Ik volgde alleen maar blind wat me 18 jaar lang was verteld. Het voelde alsof er op de C.S.F.R. aan de stoelpoten van mijn geloof werd gezaagd. Maar er bleek helemaal geen geloof te zijn. Er waren alleen maar standpunten en overtuigingen en die bleken van binnenuit gezien nogal hol te zijn.

Hoe zit dat vandaag?

Hoe zou ik toen op Alle verstand te boven gereageerd hebben? Het zou me hebben geschokt. Taizé? Ik zou het hebben opgezocht. Een klooster??? En evolutie? Dat kan toch niet waar zijn? Hebben die christenen die aan dit boek hebben bijgedragen zich dan zomaar om laten praten? Dat kan toch niet? En de schepping dan? En het hele theologische bouwwerk dat daarop is gebaseerd? Echt: ik zou geschokt zijn geweest. Vandaag heb ik daarin wel een weg gevonden; denk ik. Maar toen…?

Natuurlijk zijn we ondertussen 35 jaar verder. En ook het warme nest, waar deze sjaars (net) uit zijn gestapt, zal in die 35 jaar veranderd zijn. Hoe verteren zij dit boek? Wat herkennen zij in de wetenschappers uit andere kerken en culturen? Wat vinden de huidige sjaars ervan dat die wetenschappers ook vertellen dat zij (soms) worstelen met het geloof? Ik ben benieuwd wie van de schrijvers hen aanspreekt. Waar hebben zij moeite mee? En hoe verwoorden ze waarom ze de ene schrijver aansprekend vinden en moeite hebben met de boodschap van een ander?

Stellingen

Wat mij betreft gaat het over de vragen hierboven. Maar het kan nooit kwaad om zo’n gesprek goed voor te bereiden. Daarom heb ik hieronder voor elke schrijver minimaal één citaat overgenomen. Voor mij zijn die citaten een samenvatting van hun standpunt over geloof en wetenschap. In zo’n stelling laten ze zien wat hen als gelovige wetenschapper drijft.

Martine Veldhuizen

  1. “Maar in mijn pubertijd begon ik me af te zetten tegen het verzuilde gereformeerde bestaan… Tijdens catechisatie stelde ik de dominee vragen… Ik was zeer kritisch op zijn antwoorden en vond eerlijk gezegd dat die zwaar tekortschoten” (pag. 15).
  2. “Een omslag kwam toen diezelfde dominee zijn catechisanten meenam naar Taizé… Geestelijke oplaadmomenten vond ik als student door jaarlijks naar Taizé te gaan… ‘De ontdekking van de hemel’, bracht weer iets terug van dat vermogen om te durven verbeelden. Dat gebeurde zowel in Taizé als in de leeszaal van de universiteitsbibliotheek” (pag. 15, 17 en 22).

Heino Falcke

  1. “Het idee dat de schepping slechts zesduizend jaar oud zou zijn lijkt me een beetje vergelijkbaar. Want je zou moeten stellen dat God de wereld er bij de schepping al ouder uit heeft laten zien dan deze daadwerkelijk is. In dat geval zouden wij wetenschappelijk dus een ouderdom in de natuur zien die niet echt is. Dat kwetst mij. Want als je dit doortrekt, zeg je in feite tegen mij dat God een bedrieger is die ons voor de gek houdt. Als je geen wetenschapper bent, voel je dat misschien niet zo. Maar als iemand die dagelijks ziet hoe ongelofelijk mooi, groot en oud het heelal is, kun je de feiten niet verwaarlozen. Ik vind deze uitspraken daarom theologisch heel gevaarlijk” (pag. 36).

Susanne van Veluw

  1. “Zo worstel ikzelf nog geregeld met de vraag of God daadwerkelijk bestaat. Of dat we Hem stiekem met elkaar verzonnen hebben. In een oeroude poging zin te geven aan ons anderzijds ogenschijnlijk uitzichtloze bestaan. Het is juist na periodes van worsteling – die vaak aangewakkerd worden door persoonlijke tegenslagen – dat ik merk dat mijn geloofsovertuigingen sterker, puurder en met name eerlijker zijn geworden” (pag. 45).
  2. “Een veelvoorkomende aanname is dat kennis alleen vergaard kan worden door objectieve observaties. Dat maakt het heel lastig om iets over een onzichtbare God te weten te komen. Dat er aan die kijk op wetenschap menige haken en ogen zitten moge duidelijk zijn. Geen enkele waarnemer is geheel objectief en daarnaast heeft het ook wat van sciëntisme weg. Sciëntisme is het idee dat de wetenschappelijke methode de enige manier is om kennis te vergaren” (pag. 48).

Rik Torfs

  1. “De langzame verdwijning van filosofie en levensbeschouwing uit universitaire curricula zie ik niet als een overwinning van het wetenschappelijk denken, maar juist als een nederlaag. Vragen niet langer stellen is immers nooit een succes. De wereld wordt er kleiner door, een deel van de werkelijkheid verdwijnt uit beeld” (pag. 58).

Gert Jan Veenstra

  1. “Iets soortgelijks geldt voor de bijbel: een verzameling boeken opgeschreven door en gegeven aan mensen in een bepaalde tijd en cultuur. Maar je kunt in de bijbel de taal van God herkennen, de taal van liefde, een boodschap van Boven… ‘Voor mogelijk houden’ is natuurlijk niet hetzelfde als ‘zeker weten’. Ik heb niet zo veel met geloof als het ‘stellige weten’ waar de Heidelberger Catechismus het over heeft. Ik heb meer met geloof als hoop. Kritische vragen en twijfel zijn bij mij nooit ver weg, maar toch kom ik altijd weer bij God uit” (pag. 75).

Marie-Eve Aubin-Tam

  1. “In diezelfde tijd kreeg ik de volgende bijbeltekst: ‘Vertrouw op de HEER met heel je hart, steun niet op je eigen inzicht. Denk aan hem bij alles wat je doet, dan baant hij voor jou de weg’ [Spreuken 3 : 5 en 6]. Deze tekst kreeg ik van onze voorganger mee bij mijn doop. Toen zei het me nog niet zo heel veel, maar in de jaren die volgden werd dit gedeelte een bron van bemoediging voor me in allerlei situaties” (pag. 84).

David Onnekink

  1. “Ondertussen was ik ook betrokken bij de opbouw van een netwerk, Crux, van christelijke wetenschappers in Utrecht in navolging van zo’n initiatief in Delft. In Crux komen christelijke wetenschappers uit alle disciplines samen om te spreken over geloof en wetenschap, doorgaans in de vorm van een lezing gevolgd door een discussie tijdens de lunch. Als snel werd duidelijk dat de klassieke thema’s als wetenschap en geloof of schepping en evolutie minder populair waren: de meesten van ons wilden spreken over praktische en persoonlijke zaken zoals het omgaan met werkdruk en carrière en het contact met studenten en collega’s” (pag. 99).

Aart Nederveen

  1. “De discussie over schepping en evolutie zou er volgens mij anders uitzien als beseft zou worden dat wetenschap in de eerste plaats een denkwijze is. De wetenschappelijke blik zit in ons, of we het willen of niet, en daar moeten we mee dealen. Dat zouden christenen die reserves hebben bij evolutie meer moeten beseffen. Je kunt bijvoorbeeld evolutie afwijzen, maar in de manier waarop je gelooft evengoed gevangen blijven in een wetenschappelijk denkraam… Ik ben niet heel stellig over deze kwestie… Er is genoeg verbeeldingskracht voorhanden om de God van de bijbel te zien als degene die op een verborgen manier aanwezig was in de miljarden jaren voordat de mens op het toneel verscheen” (pag. 121).

Sabine van Huffel

  1. “Vanuit die levensmissie en mijn geloofsvisie ‘leven is liefhebben’ wil ik dat studenten kennis delen, samenwerken en hun aandacht richten op de ander. Vergeleken met het competitieve model dat gebruikelijk is in academische kringen, levert die aanpak niet noodzakelijk grotere wetenschappelijke successen op, maar hij biedt wel een grotere maatschappelijke en persoonlijke meerwaarde. Samenwerking leidt tenslotte tot een betere oplossing die de patiënt ten goede komt” (pag. 137).

Emmanuel Rutten

  1. “Natuurlijk zijn metafysische Godsargumenten [ook wel bekend als Godsbewijzen] geen onfeilbare bewijzen. De Godsargumenten laten louter zien dat het buitengewoon redelijk is om te denken dat God bestaat. Sterker nog, dat Godsgeloof de meest redelijke positie is binnen het spectrum aan wereldbeelden. En dat vind ik al heel wat. Denkend en werkend aan de Godsargumenten raakte ik er steeds meer van doordrongen dat de wetenschap een ware vriend is van het geloof in God. De gedachte dat er een conflict zou zijn tussen Godsgeloof en wetenschap is dan ook niets meer dan een ongegronde moderne mythe” (pag. 149).

Mikhail Katsnelson

  1. “Maar ik geloof niet dat het wetenschappelijk wereldbeeld volledig is. Met andere woorden: ik geloof niet dat de wetenschap antwoord kan geven op ál onze vragen. En dat hoeft ook niet. Zoals Richard Feynman, een bekende natuurkundige, zei: ‘We moeten goed begrijpen dat wanneer iets geen wetenschap is, dat het niet per se slecht is'” (pag. 162).

Hanneke Schaap-Jonker

  1. “Vragen over God en het lijden zijn thema’s om steeds opnieuw over na te denken – pasklare antwoorden die voor altijd en iedereen gelden bestaan niet – maar ze hebben voor mij nooit geleid tot worstelingen. Oog in oog met lijden en gebrokenheid is God voor mij de God van ontferming en genadige aanvaarding gebleven… Ook als ik er helemaal niets van zie of begrijp en me afvraag waarom mensen het psychisch zo zwaar moeten hebben en wens dat het anders kan. Dan nog wil ik eraan vasthouden dat God de algoede en de alwijze is, die de hele wereld regeert en wiens liefde nooit te weinig is. Dat kun je cognitieve dissonantie noemen. Maar als je het mij vraagt, gaat het meer om het verdragen van de ambivalentie en de paradoxen van het bestaan, en om het uithouden van de gebrokenheid, dus verdragen dat je het niet direct kunt oplossen of veranderen en erbij blijven tot het beter wordt” (pag. 180).

Dick den Hertog

  1. “Tussen geloof en wetenschap bedrijven zit voor mij geen enkele spanning. Ik zou ook niets op mijn vakgebied van de wiskunde kunnen bedenken wat op gespannen voet zou staan met mijn geloof” (pag. 193).

Tjerk Oosterkamp

  1. “Voor mij si het dan een verademing om mezelf ook tijdens mijn werk eraan te herinneren dat de uitkomsten van mijn onderzoek niet bepalend zijn voor mijn identiteit. Ik hoef me niet te bewijzen om overeind te blijven. Mijn geloof in een liefdevolle Schepper… biedt een tegengeluid tegen mijn neiging om mezelf te willen bewijzen, of de neiging om mezelf onveilig te voelen bij de geringste opmerking die ik zou kunnen uitleggen als een aantijging dat ik iets niet goed heb gedaan” (pag. 206).

Eveline van Leeuwen

  1. “Het mooie van de huidige periode van lockdowns en stilstand is dat er ruimte lijkt te zijn om na te denken over wat er echt toe doet. Zowel op persoonlijk niveau, als op overheidsniveau. We willen ons uit de crisis investeren, maar hoe doen we dat, en belangrijker nog: voor wie doen we dat? Hoe meten of evalueren we verbetering? Naar welke termijn kijken we? En hoe zijn de kosten en de baten verdeeld, bij wie komt de verbetering terecht? Als christelijke wetenschapper vind ik dat hele wezenlijke vragen, omdat ze zich niet alleen richten op de winnaars, op meer geld verdienen, maar ook op degenen die het minder hebben, de weduwen en wezen uit de Bergrede… Overheden zouden zich veel meer moeten richten op welzijn in plaats van welvaart die uitgedrukt wordt in een enkelvoudige indicator als BBP” (pag. 218).

Krijn de Jong

  1. “Wat ik gaandeweg ontdekte, zou ik als volgt kunnen samenvatten: een conflict tussen geloof en wetenschap ontstaat wanneer ik de bijbel gebruik als basis van wetenschap óf wanneer ik de wetenschap gebruik als basis van geloof. Door de eeuwen heen zijn er voorbeelden te zien waarbij het christelijk geloof werd ingezet om wetenschappelijke uitspraken te doen. Het meest bekende en het gemakkelijkst te weerleggen voorbeeld is wellicht dat de bijbel werd gebruikt om aan te geven dat de zon om de aarde beeweegt en niet de aarde om de zon… [Daarvoor werden verzen uit de bijbel gebruikt die] geen rekening hielden met de accommodatio Dei… Dit principe [, dat werd gemunt door Calvijn,] geeft aan dat de boodschap van de bijbel landde in een bepaalde tijd en cultuur, en dat die daaraan is aangepast om te communiceren en mensen zo verder te helpen. Als de gangbare gedachte is dat de zon opgaat on ondergaat in een baan om de aarde, dan zijn volgens dit principe de boodschap en taal [in de bijbel] daarop aangepast” (pag. 228).

Marnix Medema

  1. “Als christenen geloven we immers altijd al dat God dóór de dingen heen werkt. Denk bijvoorbeeld aan de groei van een baby in de buik van de moeder: hoewel we tot in zeer kleine details de genetica en biochemie van het ontstaan van een mens kunnen begrijpen, vindt vrijwel geen enkele christen het een probleem om tegelijkertijd te geloven dat de baby door God in de buik van de moeder ‘geweven’ is en door Hem bedoeld en gemaakt is. Waarom zou dit dan wel een probleem zijn voor het ontstaan van de mensheid? Door deze en andere argumenten raakte ik ervan overtuigd dat het niet noodzakelijk was te kiezen tussen schepping óf evolutie, maar dat die beide te combineren waren” (pag. 244).

Jacobine van den Brink

  1. “In mijn inhoudelijke wetenschappelijke werk ervaar ik weinig spanning met mijn christen-zijn. Die spanning ervaar ik bij tijd en wijle wel als onderdeel van de universitaire gemeenschap. Ik weet niet zeker of de juridische faculteiten hierin een uitzondering zijn, maar ik heb op veel momenten ervaren dat wetenschappers erg in hun eigen wereld leven, het gezamenlijk belang nogal eens uit het oog verliezen en elkaar de maat nemen. Als christen zie ik het als mijn opdracht om het gezamenlijk belang voorop te stellen en elkaar te respecteren. Dit heeft gevolgen voor de keuzes die ik maak in mijn werk, ook al ben ik mij daarvan op het keuzemoment zelf niet altijd bewust” (pag. 259).

Peter Ngene

  1. “Mijn geloof kwam tot leven en werd sterker toen ik de natuurwetten ging begrijpen en zag hoe complex de natuur in elkaar zit… Toch gaat voor mij spirituele kennis wetenschappelijke kennis ver te boven. Spirituele kennis geeft namelijk ware wijsheid en zingeving aan mijn leven. Zij verkwikt mijn ziel, verandert mij volkomen en geeft me de kracht om dag aan dag te leven onder allerlei uitdagende omstandigheden. Daarom is mijn geloof in God allesbepalend in mijn leven. Het heeft invloed op de keuzes die ik maak en de manier waarop ik mijn wetenschappelijke werk verricht. Mijn geloof is ook altijd mijn richtingwijzer geweest voor hoe ik mijn werk moet benaderen en hoe ik moet omgaan met bijvoorbeeld mijn collega’s en studenten. Ik vertrouw erop dat God mijn werk en dat van andere wetenschappers kan gebruiken om bepaalde uitdagingen of problemen op te lossen” (pag. 277/278).

Hans Teerds

  1. “In deze tijd hervond ik het geloof. God heeft mij al die tijd vastgehouden, denk ik nu. Hij heeft de vragen in mij gewerkt en actief gehouden, zodanig dat ik er existentieel mee bezig beleef, en er graag met anderen over sprak. Ik zie dat als genade, niet iets wat ik zelf zocht of voor ogen had. Integendeel. Het waren vooral de nieuwe vrienden op de studentenvereniging [C.S.F.R.] die mij op weg hielpen: de gesprekken die we voerden, de boeken die we bespraken, de lezingen en conferenties die we organiseerden” (pag. 284).
  2. “Het is daarbij, merk ik, zowel in mijn vak als in mijn geloof de uitdaging om blijvend te ‘ont-leren’: om niet tevreden te zijn met dooddoeners, maar om ruimte te scheppen voor vernieuwing, verdieping en verbreding van onze overtuigingen, om daardoor uitgedaagd te worden uit onze comfortzone te stappen en in actie te komen” (pag. 296).

Miranda Klaver

  1. “‘Zou mijn geloof wel bestand zijn tegen een antropologische bestudering van religie?’ vroeg ik mij af. Met enige aarzeling schreef ik me in voor het vak. In de pinkstergemeente had ik vaak gehoord dat je geen theologie moest studeren, omdat je dan je geloof zou verliezen. Met een sociaalwetenschappelijke benadering van religie zou het vast niet anders zijn, dacht ik. Ondanks dat waagde ik het erop met de gedachte: als mijn geloof werkelijk betekenisvol en waar is, moet het bestand zijn tegen wetenschappelijke theorieën en perspectieven” (pag. 302).

Cees Dekker

  1. “Hoewel alle spanning rond het zogenaamde conflict tussen geloof en wetenschap voor mij was verdampt, was het me uit de felheid van de discussies in 2005 wel duidelijk geworden dat er desalniettemin toch een ander conflict speelde, namelijk een clash tussen twee verschillende wereldbeelden, een seculier-atheïstische wereldbeschouwing die botste met een christelijk (of breder religieus) wereldbeeld. ‘Wereldbeeld’ is een kernbegrip geworden in mijn denken over geloof en wetenschap. Elk mens – gelovig of niet-gelovig – heeft een wereldbeeld, een groter metafysisch verhaal waarmee je alles in de werkelijkheid duidt, met fundamentele geloofsaannames zoals ‘In den beginne was God en Hij schiep…’ of ‘In den beginne was er materie en ontstond bij toeval spontaan…’ Zo’n wereldbeeld schetst een perspectief op de kosmos, op God, je mensbeeld, wetenschap, ethiek, alles eigenlijk” (pag. 323).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.