Alain de Botton - Religie voor atheïstenAfgelopen zomer las ik – tot mijn eigen verbazing – een prachtig en belangwekkend atheïstisch boek; dat N.B. begint met de stelling dat God niet bestaat; en dat we daar maar geen discussie meer over moeten voeren; omdat zo’n discussie zinloos is. Ik las ‘Religie voor atheïsten, Een heidense gebruikersgids‘ van Alain de Botton.

Daar hoort wel een bijsluiter bij natuurlijk. Want met die stelling, dat God niet zou bestaan, ben ik het natuurlijk oneens. Sterker nog: God is mijn Heer die mij liefheeft en die ik daarom liefheb. Met zo’n simpele voorstelling van zaken; ach, laten we daar maar geen woorden aan vuil maken. God bestaat. Zullen we daar voor de aardigheid maar eens vanuit gaan? En voor de twijfelaars of andersdenkenden onder ons ter overweging:

  1. Andrews schreef nog niet zo heel lang geleden het prachtige boek ‘Wie heeft God gemaakt? Op zoek naar een allesverklarende theorie‘. Stel nu eens – is zijn uitgangspunt – dat God zoals Hij Zich in de Bijbel openbaart werkelijk bestaat; is dat aannemelijk? De moderne natuurkunde weerlegt dat niet. Sterker nog: die ondersteunt die stelling. Met zijn uitgangspunt blijkt Andrews sterk te staan.
  2. Emanuel Rutten toonde in zijn proefschrift aan – en zijn stelling is voorlopig niet weerlegd – dat het bestaan van God de meest voor de hand liggende optie is.

Maar goed, laten we ons – op advies van De Botton – niet met die discussie vermoeien, want zelfs als je zou kunnen bewijzen dat God bestaat zal de kloof tussen hoofd en hart vaak onoverbrugbaar blijken. Dus: God bestaat; of je het nou wilt of niet; hoewel De Botton ons het tegengestelde wil doen geloven.  Afgezien van dit standpunt en van de libertijnse trekjes die De Botton door zijn tekst heen weeft, draagt hij ondertussen een aantal waardevolle inzichten aan. Zijn stelling is dat christendom, Jodendom en boeddhisme vanuit een eeuwenoude traditie waardevolle rituelen en inzichten aandragen die een aanhanger daarvan helpen om zin te geven aan zijn of haar leven; ook als de dood daarin zijn intrede doet.

Over welke waardevolle inzichten heb ik het dan?

  1. Het begrip erfzonde zou mensen de ruimte geven om schuld onder ogen te zien. Laten we eerlijk zijn – zegt De Botton: waar mensen met elkaar omgaan, wordt alles gecompliceerd en vaak hebben we spijt van de keuzes die we in relaties maken; omdat we het gewoon verkeerd doen; omdat we geneigd zijn tot alle kwaad; in de woorden van De Botton: omdat het bij onze soort hoort. Zodra je deze vaststelling volgens De Botton aanvaardt als serieuze optie, valt een last van je schouders. Zo ben ik nu eenmaal. Verbetering kan ik alleen in kleine stapjes bereiken, maar met die kleine stappen kom ik hoe dan ook verder dan ik vanuit grote dromen over volmaaktheid ooit zou kunnen komen. Zoals reclame zich nu succesvol richt op de verkoop van weer een nieuwe elektrische tandenborstel, zo zou reclame ook gebruikt kunnen worden om zich vanuit het inzicht van de erfzonde te richten op verbetering van de moraal in een samenleving.
  2. Het liberalisme biedt – ja, De Botton zegt het echt – teveel vrijheid. Pas als het kwaad is geschied en de naaste is geschaad wordt ingegrepen. Want dat blijft toch de minimumregel: dat alles is toegestaan, zolang de naaste niet wordt geschaad. Het gehele liberale rechtssysteem is daarop gericht, maar sancties gelden pas nadat de dader over de grens van zijn naaste heen is gegaan en alleen in vastgelegde gevallen. Het Joodse Oude Testament stelt die grens volgens De Botton ook: dat je de naaste lief hebt als jezelf heeft als consequentie dat je die naaste geen schade toe mag brengen; de andere zijde van een zelfde munt. Maar de Bijbel legt de grens voor sancties eerder. Je bent al strafbaar – om een voorbeeld uit Deuteronomium te gebruiken – als je geen hek om je platte dak heen zet. Volgens De Botton zou die straf naar liberale maatstaven pas volgen nadat je naaste van dat dak af is gevallen, als er geen hek omheen staat. God beschermt ons – hoewel De Botton dat niet zo zou zeggen – al voordat we de naaste kwaad toe kunnen brengen en het liberalisme grijpt pas in – zo zegt De Botton het wel – als het te laat is.
  3. Onderwijs zou te cognitief ingestoken zijn. Daar ben ik het hartgrondig mee eens! Ik zie dat bij mijn kinderen op school: kennis is belangrijker dan zingeving. Pesten komt alleen preventief aan de orde, omdat pesten een goed leerproces verstoort. En het antwoord op de vraag naar 1.989 * 36 is belangrijker dan het antwoord op de vraag welke rol de kinderen later in gezin, kerk en maatschappij kunnen vervullen om daarmee zin te geven aan het bestaan van zelf en naaste. Zelf loop ik er trouwens ook keihard tegenaan: voor mijn studie theologie bereid ik me voor op tentamens waar cognitieve reproductie belangrijker is dan de toepassing van die kennis. Toegegeven: ik maak het zwart-wit, maar ik zou zo graag willen dat die cognitieve reproductie achterwege zou blijven zodat ik me kan richten op vraagstukken in kerk en theologie die er echt toe doen; zodat ik door mijn studie nog meer waarde toe zou kunnen voegen aan de levens van mijn naaste van van mijzelf.
  4. Kunst en architectuur wezen van oorsprong altijd ergens heen. Ze hadden met andere woorden een functie. Tegenwoordig hangt men wat schilderijen uit een zelfde periode in een zaal en dat moet het dan zijn. Je moet van die kunst leren genieten – en dat lukt me tegenwoordig aardig – maar het is natuurlijk niet zoals het bedoeld is. Stel dat je een zaal in zou lopen waar niet de jaartalen of kunstenaar bepalend zouden zijn voor de ordening van de zaal. Stel dat zo’n zaal rondom een thema opgebouwd zou zijn; bijvoorbeeld rondom het thema van de ouderdom die met gebreken komt. Dan zou zo’n zaal als geheel (en niet een toevallig schilderij tussen heel veel andere) vragen oproepen, waar kinderen het met hun ouders over zouden kunnen hebben; als de ouderdom met gebreken komt. Dat inzicht zijn we onderweg kwijt geraakt en eerlijk is eerlijk: in kerken kom je het rondom de kruisweg nog steeds tegen en veel kerken zijn natuurlijk niet voor niets in kruisvorm gebouwd.

In veel van wat De Botton hier op een rij zet, herken ik me dus en ik kan me er vaak in vinden. En toch keer ik terug naar de discussie die De Botton op de eerste bladzijde van zijn boek al doodslaat. Want kan dat wel: religie zonder God? Ja, dat kan; blijkbaar en De Botton voelt zich er goed bij. Maar zou het bijvoorbeeld A.F.Th. van der Heijden, Pieter Bot, Nicholas Wolterstorff of Lieske Keuning geholpen hebben, als zij het boek van De Botton gelezen zouden hebben toen hun zoon, vrouw of dochter overleed? Wat heb je aan rituelen, als ze de lege huls zijn van wat ooit door God was ingesteld of wat door mensen is gevormd die met God leefden en dat in hun rituelen uit wilden drukken? Wat blijft er van het Koninkrijk over als God er uit weggeschreven is en dus ook de eeuwigheidswaarde daarvan verdwenen is?

Laat ik er kort over zijn: ik geloof dat ik het niet zonder God zou kunnen en dat heeft te maken met het volgende. Als je God wegsnijdt uit het plaatje en alleen nog maar de gewoontes, (bezwerings)rituelen en -spreuken overhoudt, dan snij je de genade mee. En waar moet het heen als we erfzonde erkennen, maar genade met God mee weg gesneden hebben? Dan kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat we ons als een Baron Münchhausen uit een moeras moeten trekken waar we alleen toch echt niet uit kunnen komen. De Botton mag dan misschien denken dat hij zonder God een heel eind kan komen (wat misschien zelfs nog zo is ook), maar ik zou zelfs dat eind niet zonder God willen gaan; omdat ik er uiteindelijk zonder God in zou verzuipen; in al dat zelfhulpgedoe.

Dit bericht werd op 12 oktober 2014 geschreven door Karel J. van der Lelij
Onderwerpen: , ,
Categorieën: Boeken

Tom Wright - Verrast door hoopIn onze gemeente lezen we voor een studiekring in etappes ‘Verrast door hoop‘ van Tom Wright:

  1. Avond 1: Verkenning – Wat is hoop?
  2. Avond 2: Wanneer en hoe – Wanneer komt God’s Koninkrijk?
  3. Avond 3: De toekomst begint vandaag.
  4. Avond 4: Wat betekent die hoop voor vandaag?

Komende woensdag leggen we het derde deel van dit boek naast een boek van Alain de Botton. Want is het wel zo bijzonder wat Wright schrijft? Zou het ook zonder God kunnen; die hoop van Hem? De Botton zegt dat het kan, maar hoe houdbaar is dat? En wat maakt het verhaal van Wright nou zo bijzonder dat het verhaal van De Botton overbodig maakt?

Het gnosticisme – is de stelling van Wright – is door onze cultuur heen gesijpeld en dat stopt niet; bij de kerkdeuren niet; zelfs niet in de meeste vertalingen van de Bijbel. Het lichamelijke wordt gezien als inferieur. Uiteindelijk zou ons lichaam volgens het gnosticisme niet meer zijn dan het transferium naar een hiernamaals, waarin het geestelijke eindelijk is bevrijd uit de beknelling van het lichaam; dat alleen maar in de weg zat. Maar als je de onderliggende grondtekst in het Grieks goed leest, gaat het in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde niet om de ‘eeuwige’ tegenstelling tussen lichaam en ziel die dan opgeheven zal zijn. Ziel en lichaam zijn en blijven één en als je de Bijbel grondig leest, blijkt dat de menselijke psyche (die ons doet overleven, maar uiteindelijk op moet geven) wordt vervangen door de adem van God die ons eeuwig leven geeft. Ons lichaam zal anders zijn, maar een lichaam zullen we hebben; wel verrijkt met een onsterfelijkheid die God met ons deelt. Zijn Geest zal ons drijven in plaats van het eigen ik dat volmaaktheid in de weg staat.

Voordat Wright in zijn boek overstapt naar het beslissende derde deel (waarin hij ingaat op de vraag wat hoop voor vandaag betekent), behandelt hij nog één laatste thema, waarover veel misverstanden bestaan: over hemel, hel en vagevuur. Want – is de onderbouwde overtuiging van Wright: na de dood duurt het nog even voor we met Christus opstaan in een nieuwe hemel; op een nieuwe aarde. Wat nu, als we vandaag of morgen sterven en niet direct opstaan in een nieuw leven dat nog komen moet? Bestaat er verschil tussen (on)gelovigen? Gaat de één met een enkeltje naar de hemel? Moet een ander overstappen (en soms lang wachten) in een vagevuur? En zou weer een ander dan linea recta naar de hel verdwijnen? En wat zijn de criteria voor dat onderscheid? Allereerst haal ik natuurlijk opgelucht adem, als Wright constateert dat er geen onderscheid tussen gelovigen is (de basis daarvoor ontbreekt ten enenmale in de Bijbel); geen vagevuur dus (hoewel Willem Jan Otten, mijn grote held, daar nog steeds aan twijfelt). Is er dan misschien toch nog een hel? Ook daarover – zegt Wright – kun je eigenlijk niet meer dan in overdrachtelijke zin spreken; als je de Bijbel moet geloven tenminste. En dat doe ik. Laat God over dat soort vragen z’n ei maar eens leggen. Ik ben blij dat ik tot die tijd niet op dit soort vragen hoef te broeden; hoewel ik er met Wright van overtuigd ben dat oordeel in de sporadische verhalen die zouden kunnen wijzen op een hel

Waarom maken mensen zich eigenlijk druk over dergelijke vragen over hel en vagevuur; terwijl er weinig of niets over in de Bijbel staat? Doe ze dat, omdat ze het dan niet hoeven te hebben over het Koninkrijk van gerechtigheid, vrede en blijdschap waar het in de Bijbel wel veelvuldig over gaat; en over de rol die wij mensen daarbij kunnen spelen? Wij leveren er, zegt de Bijbel volgens Wright, ook een bijdrage aan dat het Koninkrijk van God op aarde wordt gerealiseerd; hoewel het niet van ons afhangt of dat Koninkrijk er komt. Jezus ging ons daarin voor door mensen te redden. Maar genezen en mooie woorden schoten tekort en Jezus wist dat het door de dood heen moest gaan om het kwaad tot in de diepste kiem te kunnen smoren. In ons gevecht voor gerechtigheid, vrede en blijdschap kan het ook niet blijven bij mooie woorden. Ons meewerken met God in Zijn Koninkrijk (om het met de woorden van Paulus te zeggen) zal ons pijn doen en uiteindelijk zal het door de dood heen moeten voordat we ons kunnen laven aan de leven brengende genade van Gods adem. Verlossing betekent Bijbels gezien niet dat we eindelijk verlost zullen zijn van ons hinderlijke lichaam (gelukkig niet, zeg!), maar dat we eindelijk verlost zullen zijn van de kwade machten die God hinderen om hier op aarde (zoals in de hemel) Zijn Koninkrijk van gerechtigheid, vrede en blijdschap te kunnen vestigen.

Tot zover een korte samenvatting van de hoofdstukken 10 t/m 12 van ‘Verrast door hoop‘ van Tom Wright. Die samenvatting brengt mij – samen met de lezing van Religie voor atheïsten‘ van Alain de Botton tot de volgende vragen:

  1. Welke beelden heb jij over lichaam, ziel en geest? Hoe zie jij de nieuwe hemel en aarde voor je? Zullen ze (om met Van Ruler te spreken) voetballen in de hemel? En waar worden we van bevrijd?
  2. Hoe kijk jij aan tegen vagevuur en een leven na de dood? Wat doet het met jouw beelden over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde dat Wright zegt dat er ook nog een leven na het leven na de dood is (ja, je leest het goed: volgens Wright ga je dood, ben je een tijd in de nabijheid van Christus tot het laatste oordeel en staat daarna je lichaam met Christus op uit de dood)?
  3. Welke beelden heb jij bij het Koninkrijk van God? Wat lees je daarover in de Bijbel? Welke invloed heeft het dat Wright zegt dat we volgens Paulus meewerkers van God zijn om Zijn Koninkrijk hier op aarde te realiseren; dat het Koninkrijk van God dus mede van jou afhangt; en toch ook weer niet?
  4. Alain de Botton stelt dat het Koninkrijk van gerechtigheid, vrede en blijdschap ook zonder God gerealiseerd kan worden en hij reikt een aantal hulpmiddelen aan om dat te bereiken. Daar hebben we God dus helemaal niet voor nodig, is zijn stelling. Hoe zit dat?
Dit bericht werd op 5 oktober 2014 geschreven door Karel J. van der Lelij
Onderwerpen: , , ,
Categorieën: Boeken

https://lelij.com leeft op WordPress , het thema Adventure van Eric Schwarz en Mailchimp

https://lelij.com – Een blog van Karel J. van der Lelij

Altijd kritisch en betrokken